imploderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of imploderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: imploderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: imploderend
Past participle - Verleden deelwoord: geïmplodeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikimplodeer
jijimplodeert
hijimplodeert
wijimploderen
jullieimploderen
zijimploderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïmplodeerd
jijhebt geïmplodeerd
hijheeft geïmplodeerd
wijhebben geïmplodeerd
julliehebben geïmplodeerd
zijhebben geïmplodeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikimplodeerde
jijimplodeerde
hijimplodeerde
wijimplodeerden
jullieimplodeerden
zijimplodeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïmplodeerd
jijhad geïmplodeerd
hijhad geïmplodeerd
wijhadden geïmplodeerd
julliehadden geïmplodeerd
zijhadden geïmplodeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal imploderen
jijzult imploderen
hijzal imploderen
wijzullen imploderen
julliezullen imploderen
zijzullen imploderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïmplodeerd hebben
jijzult geïmplodeerd hebben
hijzal geïmplodeerd hebben
wijzullen geïmplodeerd hebben
julliezullen geïmplodeerd hebben
zijzullen geïmplodeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou imploderen
jijzou imploderen
hijzou imploderen
wijzouden imploderen
julliezouden imploderen
zijzouden imploderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïmplodeerd hebben
jijzou geïmplodeerd hebben
hijzou geïmplodeerd hebben
wijzouden geïmplodeerd hebben
julliezouden geïmplodeerd hebben
zijzouden geïmplodeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijimplodeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information