implanteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of implanteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: implanteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: implanterend
Past participle - Verleden deelwoord: geïmplanteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikimplanteer
jijimplanteert
hijimplanteert
wijimplanteren
jullieimplanteren
zijimplanteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïmplanteerd
jijhebt geïmplanteerd
hijheeft geïmplanteerd
wijhebben geïmplanteerd
julliehebben geïmplanteerd
zijhebben geïmplanteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikimplanteerde
jijimplanteerde
hijimplanteerde
wijimplanteerden
jullieimplanteerden
zijimplanteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïmplanteerd
jijhad geïmplanteerd
hijhad geïmplanteerd
wijhadden geïmplanteerd
julliehadden geïmplanteerd
zijhadden geïmplanteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal implanteren
jijzult implanteren
hijzal implanteren
wijzullen implanteren
julliezullen implanteren
zijzullen implanteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïmplanteerd hebben
jijzult geïmplanteerd hebben
hijzal geïmplanteerd hebben
wijzullen geïmplanteerd hebben
julliezullen geïmplanteerd hebben
zijzullen geïmplanteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou implanteren
jijzou implanteren
hijzou implanteren
wijzouden implanteren
julliezouden implanteren
zijzouden implanteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïmplanteerd hebben
jijzou geïmplanteerd hebben
hijzou geïmplanteerd hebben
wijzouden geïmplanteerd hebben
julliezouden geïmplanteerd hebben
zijzouden geïmplanteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijimplanteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information