glanzen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of glanzen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: glanzen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: glanzend
Past participle - Verleden deelwoord: geglansd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikglans
jijglanst
hijglanst
wijglanzen
jullieglanzen
zijglanzen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geglansd
jijhebt geglansd
hijheeft geglansd
wijhebben geglansd
julliehebben geglansd
zijhebben geglansd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikglansde
jijglansde
hijglansde
wijglansden
jullieglansden
zijglansden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geglansd
jijhad geglansd
hijhad geglansd
wijhadden geglansd
julliehadden geglansd
zijhadden geglansd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal glanzen
jijzult glanzen
hijzal glanzen
wijzullen glanzen
julliezullen glanzen
zijzullen glanzen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geglansd hebben
jijzult geglansd hebben
hijzal geglansd hebben
wijzullen geglansd hebben
julliezullen geglansd hebben
zijzullen geglansd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou glanzen
jijzou glanzen
hijzou glanzen
wijzouden glanzen
julliezouden glanzen
zijzouden glanzen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geglansd hebben
jijzou geglansd hebben
hijzou geglansd hebben
wijzouden geglansd hebben
julliezouden geglansd hebben
zijzouden geglansd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijglans

Verbs conjugated like 'glanzen'

glanzen, grenzen, niezen, omhelzen, reizen, veinzen, verhuizen,

Verbs similar to 'glanzen'

blazen, grazen, grenzen, landen, langen, planten, aanzien, aflangen, banen, blaffen,

Translations

  • luster, to have luster
  • sheen, shine; glisten
  • shine, to reflect light
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    blinken
    glimmen, schitteren, stralen

    Sample Sentences

    Etymology

    Derived from glans (“shimmer, shine, gloss”) + -en.

    Additional Information