fossiliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fossiliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fossiliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fossiliserend
Past participle - Verleden deelwoord: gefossiliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfossiliseer
jijfossiliseert
hijfossiliseert
wijfossiliseren
julliefossiliseren
zijfossiliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefossiliseerd
jijhebt gefossiliseerd
hijheeft gefossiliseerd
wijhebben gefossiliseerd
julliehebben gefossiliseerd
zijhebben gefossiliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfossiliseerde
jijfossiliseerde
hijfossiliseerde
wijfossiliseerden
julliefossiliseerden
zijfossiliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefossiliseerd
jijhad gefossiliseerd
hijhad gefossiliseerd
wijhadden gefossiliseerd
julliehadden gefossiliseerd
zijhadden gefossiliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fossiliseren
jijzult fossiliseren
hijzal fossiliseren
wijzullen fossiliseren
julliezullen fossiliseren
zijzullen fossiliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefossiliseerd hebben
jijzult gefossiliseerd hebben
hijzal gefossiliseerd hebben
wijzullen gefossiliseerd hebben
julliezullen gefossiliseerd hebben
zijzullen gefossiliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fossiliseren
jijzou fossiliseren
hijzou fossiliseren
wijzouden fossiliseren
julliezouden fossiliseren
zijzouden fossiliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefossiliseerd hebben
jijzou gefossiliseerd hebben
hijzou gefossiliseerd hebben
wijzouden gefossiliseerd hebben
julliezouden gefossiliseerd hebben
zijzouden gefossiliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfossiliseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information