foerageren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of foerageren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: foerageren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: foeragerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefoerageerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfoerageer
jijfoerageert
hijfoerageert
wijfoerageren
julliefoerageren
zijfoerageren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefoerageerd
jijhebt gefoerageerd
hijheeft gefoerageerd
wijhebben gefoerageerd
julliehebben gefoerageerd
zijhebben gefoerageerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfoerageerde
jijfoerageerde
hijfoerageerde
wijfoerageerden
julliefoerageerden
zijfoerageerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefoerageerd
jijhad gefoerageerd
hijhad gefoerageerd
wijhadden gefoerageerd
julliehadden gefoerageerd
zijhadden gefoerageerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal foerageren
jijzult foerageren
hijzal foerageren
wijzullen foerageren
julliezullen foerageren
zijzullen foerageren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefoerageerd hebben
jijzult gefoerageerd hebben
hijzal gefoerageerd hebben
wijzullen gefoerageerd hebben
julliezullen gefoerageerd hebben
zijzullen gefoerageerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou foerageren
jijzou foerageren
hijzou foerageren
wijzouden foerageren
julliezouden foerageren
zijzouden foerageren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefoerageerd hebben
jijzou gefoerageerd hebben
hijzou gefoerageerd hebben
wijzouden gefoerageerd hebben
julliezouden gefoerageerd hebben
zijzouden gefoerageerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfoerageer

Translations

  • forage, to search for and gather food for animals
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French fourrager. See: French 'fourrager'.

    Additional Information