ratificeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ratificeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ratificeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ratificerend
Past participle - Verleden deelwoord: geratificeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikratificeer
jijratificeert
hijratificeert
wijratificeren
jullieratificeren
zijratificeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geratificeerd
jijhebt geratificeerd
hijheeft geratificeerd
wijhebben geratificeerd
julliehebben geratificeerd
zijhebben geratificeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikratificeerde
jijratificeerde
hijratificeerde
wijratificeerden
jullieratificeerden
zijratificeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geratificeerd
jijhad geratificeerd
hijhad geratificeerd
wijhadden geratificeerd
julliehadden geratificeerd
zijhadden geratificeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ratificeren
jijzult ratificeren
hijzal ratificeren
wijzullen ratificeren
julliezullen ratificeren
zijzullen ratificeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geratificeerd hebben
jijzult geratificeerd hebben
hijzal geratificeerd hebben
wijzullen geratificeerd hebben
julliezullen geratificeerd hebben
zijzullen geratificeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ratificeren
jijzou ratificeren
hijzou ratificeren
wijzouden ratificeren
julliezouden ratificeren
zijzouden ratificeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geratificeerd hebben
jijzou geratificeerd hebben
hijzou geratificeerd hebben
wijzouden geratificeerd hebben
julliezouden geratificeerd hebben
zijzouden geratificeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijratificeer

Translations

  • ratify, give formal consent to
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information