enquêteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of enquêteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: enquêteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: enquêterend
Past participle - Verleden deelwoord: geënquêteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikenquêteer
jijenquêteert
hijenquêteert
wijenquêteren
jullieenquêteren
zijenquêteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geënquêteerd
jijhebt geënquêteerd
hijheeft geënquêteerd
wijhebben geënquêteerd
julliehebben geënquêteerd
zijhebben geënquêteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikenquêteerde
jijenquêteerde
hijenquêteerde
wijenquêteerden
jullieenquêteerden
zijenquêteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geënquêteerd
jijhad geënquêteerd
hijhad geënquêteerd
wijhadden geënquêteerd
julliehadden geënquêteerd
zijhadden geënquêteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal enquêteren
jijzult enquêteren
hijzal enquêteren
wijzullen enquêteren
julliezullen enquêteren
zijzullen enquêteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geënquêteerd hebben
jijzult geënquêteerd hebben
hijzal geënquêteerd hebben
wijzullen geënquêteerd hebben
julliezullen geënquêteerd hebben
zijzullen geënquêteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou enquêteren
jijzou enquêteren
hijzou enquêteren
wijzouden enquêteren
julliezouden enquêteren
zijzouden enquêteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geënquêteerd hebben
jijzou geënquêteerd hebben
hijzou geënquêteerd hebben
wijzouden geënquêteerd hebben
julliezouden geënquêteerd hebben
zijzouden geënquêteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijenquêteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information