quoteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of quoteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: quoteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: quoterend
Past participle - Verleden deelwoord: gequoteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikquoteer
jijquoteert
hijquoteert
wijquoteren
julliequoteren
zijquoteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gequoteerd
jijhebt gequoteerd
hijheeft gequoteerd
wijhebben gequoteerd
julliehebben gequoteerd
zijhebben gequoteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikquoteerde
jijquoteerde
hijquoteerde
wijquoteerden
julliequoteerden
zijquoteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gequoteerd
jijhad gequoteerd
hijhad gequoteerd
wijhadden gequoteerd
julliehadden gequoteerd
zijhadden gequoteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal quoteren
jijzult quoteren
hijzal quoteren
wijzullen quoteren
julliezullen quoteren
zijzullen quoteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gequoteerd hebben
jijzult gequoteerd hebben
hijzal gequoteerd hebben
wijzullen gequoteerd hebben
julliezullen gequoteerd hebben
zijzullen gequoteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou quoteren
jijzou quoteren
hijzou quoteren
wijzouden quoteren
julliezouden quoteren
zijzouden quoteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gequoteerd hebben
jijzou gequoteerd hebben
hijzou gequoteerd hebben
wijzouden gequoteerd hebben
julliezouden gequoteerd hebben
zijzouden gequoteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijquoteer

Translations

  • quote, to name the current price
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information