dichtgooien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dichtgooien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dichtgooien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dichtgooiend
Past participle - Verleden deelwoord: dichtgegooid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgooi dicht
jijgooit dicht
hijgooit dicht
wijgooien dicht
julliegooien dicht
zijgooien dicht

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb dichtgegooid
jijhebt dichtgegooid
hijheeft dichtgegooid
wijhebben dichtgegooid
julliehebben dichtgegooid
zijhebben dichtgegooid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgooide dicht
jijgooide dicht
hijgooide dicht
wijgooiden dicht
julliegooiden dicht
zijgooiden dicht

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad dichtgegooid
jijhad dichtgegooid
hijhad dichtgegooid
wijhadden dichtgegooid
julliehadden dichtgegooid
zijhadden dichtgegooid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dichtgooien
jijzult dichtgooien
hijzal dichtgooien
wijzullen dichtgooien
julliezullen dichtgooien
zijzullen dichtgooien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal dichtgegooid hebben
jijzult dichtgegooid hebben
hijzal dichtgegooid hebben
wijzullen dichtgegooid hebben
julliezullen dichtgegooid hebben
zijzullen dichtgegooid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dichtgooien
jijzou dichtgooien
hijzou dichtgooien
wijzouden dichtgooien
julliezouden dichtgooien
zijzouden dichtgooien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou dichtgegooid hebben
jijzou dichtgegooid hebben
hijzou dichtgegooid hebben
wijzouden dichtgegooid hebben
julliezouden dichtgegooid hebben
zijzouden dichtgegooid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgooi dicht

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

dempen
dichtmaken, vullen

Sample Sentences

Etymology

Additional Information