composteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of composteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: composteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: composterend
Past participle - Verleden deelwoord: gecomposteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcomposteer
jijcomposteert
hijcomposteert
wijcomposteren
julliecomposteren
zijcomposteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecomposteerd
jijhebt gecomposteerd
hijheeft gecomposteerd
wijhebben gecomposteerd
julliehebben gecomposteerd
zijhebben gecomposteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcomposteerde
jijcomposteerde
hijcomposteerde
wijcomposteerden
julliecomposteerden
zijcomposteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecomposteerd
jijhad gecomposteerd
hijhad gecomposteerd
wijhadden gecomposteerd
julliehadden gecomposteerd
zijhadden gecomposteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal composteren
jijzult composteren
hijzal composteren
wijzullen composteren
julliezullen composteren
zijzullen composteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecomposteerd hebben
jijzult gecomposteerd hebben
hijzal gecomposteerd hebben
wijzullen gecomposteerd hebben
julliezullen gecomposteerd hebben
zijzullen gecomposteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou composteren
jijzou composteren
hijzou composteren
wijzouden composteren
julliezouden composteren
zijzouden composteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecomposteerd hebben
jijzou gecomposteerd hebben
hijzou gecomposteerd hebben
wijzouden gecomposteerd hebben
julliezouden gecomposteerd hebben
zijzouden gecomposteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcomposteer

Translations

  • compost, to produce compost
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information