aaneenbrengen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aaneenbrengen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aaneenbrengen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aaneenbrengend
Past participle - Verleden deelwoord: aaneengebracht

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbreng aaneen
jijbrengt aaneen
hijbrengt aaneen
wijbrengen aaneen
julliebrengen aaneen
zijbrengen aaneen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aaneengebracht
jijhebt aaneengebracht
hijheeft aaneengebracht
wijhebben aaneengebracht
julliehebben aaneengebracht
zijhebben aaneengebracht

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbracht aaneen
jijbracht aaneen
hijbracht aaneen
wijbrachten aaneen
julliebrachten aaneen
zijbrachten aaneen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aaneengebracht
jijhad aaneengebracht
hijhad aaneengebracht
wijhadden aaneengebracht
julliehadden aaneengebracht
zijhadden aaneengebracht

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aaneenbrengen
jijzult aaneenbrengen
hijzal aaneenbrengen
wijzullen aaneenbrengen
julliezullen aaneenbrengen
zijzullen aaneenbrengen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aaneengebracht hebben
jijzult aaneengebracht hebben
hijzal aaneengebracht hebben
wijzullen aaneengebracht hebben
julliezullen aaneengebracht hebben
zijzullen aaneengebracht hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aaneenbrengen
jijzou aaneenbrengen
hijzou aaneenbrengen
wijzouden aaneenbrengen
julliezouden aaneenbrengen
zijzouden aaneenbrengen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aaneengebracht hebben
jijzou aaneengebracht hebben
hijzou aaneengebracht hebben
wijzouden aaneengebracht hebben
julliezouden aaneengebracht hebben
zijzouden aaneengebracht hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbreng aaneen

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information