vezelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vezelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vezelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vezelend
Past participle - Verleden deelwoord: gevezeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvezel
jijvezelt
hijvezelt
wijvezelen
jullievezelen
zijvezelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevezeld
jijhebt gevezeld
hijheeft gevezeld
wijhebben gevezeld
julliehebben gevezeld
zijhebben gevezeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvezelde
jijvezelde
hijvezelde
wijvezelden
jullievezelden
zijvezelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevezeld
jijhad gevezeld
hijhad gevezeld
wijhadden gevezeld
julliehadden gevezeld
zijhadden gevezeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vezelen
jijzult vezelen
hijzal vezelen
wijzullen vezelen
julliezullen vezelen
zijzullen vezelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevezeld hebben
jijzult gevezeld hebben
hijzal gevezeld hebben
wijzullen gevezeld hebben
julliezullen gevezeld hebben
zijzullen gevezeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vezelen
jijzou vezelen
hijzou vezelen
wijzouden vezelen
julliezouden vezelen
zijzouden vezelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevezeld hebben
jijzou gevezeld hebben
hijzou gevezeld hebben
wijzouden gevezeld hebben
julliezouden gevezeld hebben
zijzouden gevezeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvezel

Translations

  • whisper, talk in a quiet voice
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information