vernagelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vernagelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vernagelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vernagelend
Past participle - Verleden deelwoord: vernageld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvernagel
jijvernagelt
hijvernagelt
wijvernagelen
jullievernagelen
zijvernagelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb vernageld
jijhebt vernageld
hijheeft vernageld
wijhebben vernageld
julliehebben vernageld
zijhebben vernageld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvernagelde
jijvernagelde
hijvernagelde
wijvernagelden
jullievernagelden
zijvernagelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad vernageld
jijhad vernageld
hijhad vernageld
wijhadden vernageld
julliehadden vernageld
zijhadden vernageld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vernagelen
jijzult vernagelen
hijzal vernagelen
wijzullen vernagelen
julliezullen vernagelen
zijzullen vernagelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal vernageld hebben
jijzult vernageld hebben
hijzal vernageld hebben
wijzullen vernageld hebben
julliezullen vernageld hebben
zijzullen vernageld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vernagelen
jijzou vernagelen
hijzou vernagelen
wijzouden vernagelen
julliezouden vernagelen
zijzouden vernagelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou vernageld hebben
jijzou vernageld hebben
hijzou vernageld hebben
wijzouden vernageld hebben
julliezouden vernageld hebben
zijzouden vernageld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvernagel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information