verloederen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verloederen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verloederen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verloederend
Past participle - Verleden deelwoord: verloederd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverloeder
jijverloedert
hijverloedert
wijverloederen
jullieverloederen
zijverloederen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verloederd
jijhebt verloederd
hijheeft verloederd
wijhebben verloederd
julliehebben verloederd
zijhebben verloederd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverloederde
jijverloederde
hijverloederde
wijverloederden
jullieverloederden
zijverloederden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verloederd
jijhad verloederd
hijhad verloederd
wijhadden verloederd
julliehadden verloederd
zijhadden verloederd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verloederen
jijzult verloederen
hijzal verloederen
wijzullen verloederen
julliezullen verloederen
zijzullen verloederen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verloederd hebben
jijzult verloederd hebben
hijzal verloederd hebben
wijzullen verloederd hebben
julliezullen verloederd hebben
zijzullen verloederd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verloederen
jijzou verloederen
hijzou verloederen
wijzouden verloederen
julliezouden verloederen
zijzouden verloederen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verloederd hebben
jijzou verloederd hebben
hijzou verloederd hebben
wijzouden verloederd hebben
julliezouden verloederd hebben
zijzouden verloederd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverloeder

Translations

  • decay, to deteriorate
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Probably borrowed from German verludern. Equivalent to loeder + ver- -en. See: German, old spelling 'verludern'.

    Additional Information