verbroederen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verbroederen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verbroederen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verbroederend
Past participle - Verleden deelwoord: verbroederd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverbroeder
jijverbroedert
hijverbroedert
wijverbroederen
jullieverbroederen
zijverbroederen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verbroederd
jijhebt verbroederd
hijheeft verbroederd
wijhebben verbroederd
julliehebben verbroederd
zijhebben verbroederd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverbroederde
jijverbroederde
hijverbroederde
wijverbroederden
jullieverbroederden
zijverbroederden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verbroederd
jijhad verbroederd
hijhad verbroederd
wijhadden verbroederd
julliehadden verbroederd
zijhadden verbroederd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verbroederen
jijzult verbroederen
hijzal verbroederen
wijzullen verbroederen
julliezullen verbroederen
zijzullen verbroederen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verbroederd hebben
jijzult verbroederd hebben
hijzal verbroederd hebben
wijzullen verbroederd hebben
julliezullen verbroederd hebben
zijzullen verbroederd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verbroederen
jijzou verbroederen
hijzou verbroederen
wijzouden verbroederen
julliezouden verbroederen
zijzouden verbroederen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verbroederd hebben
jijzou verbroederd hebben
hijzou verbroederd hebben
wijzouden verbroederd hebben
julliezouden verbroederd hebben
zijzouden verbroederd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverbroeder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From broeder + ver- -en.

Additional Information