verjongen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verjongen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verjongen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verjongend
Past participle - Verleden deelwoord: verjongd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverjong
jijverjongt
hijverjongt
wijverjongen
jullieverjongen
zijverjongen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben verjongd
jijbent verjongd
hijis verjongd
wijzijn verjongd
julliezijn verjongd
zijzijn verjongd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverjongde
jijverjongde
hijverjongde
wijverjongden
jullieverjongden
zijverjongden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas verjongd
jijwas verjongd
hijwas verjongd
wijwaren verjongd
julliewaren verjongd
zijwaren verjongd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verjongen
jijzult verjongen
hijzal verjongen
wijzullen verjongen
julliezullen verjongen
zijzullen verjongen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verjongd zijn
jijzult verjongd zijn
hijzal verjongd zijn
wijzullen verjongd zijn
julliezullen verjongd zijn
zijzullen verjongd zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verjongen
jijzou verjongen
hijzou verjongen
wijzouden verjongen
julliezouden verjongen
zijzouden verjongen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verjongd zijn
jijzou verjongd zijn
hijzou verjongd zijn
wijzouden verjongd zijn
julliezouden verjongd zijn
zijzouden verjongd zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijverjong

Translations

  • rejuvenate, render young again
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From jong + ver- -en.

    Additional Information