veresteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of veresteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: veresteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: veresterend
Past participle - Verleden deelwoord: veresterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverester
jijverestert
hijverestert
wijveresteren
jullieveresteren
zijveresteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb veresterd
jijhebt veresterd
hijheeft veresterd
wijhebben veresterd
julliehebben veresterd
zijhebben veresterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikveresterde
jijveresterde
hijveresterde
wijveresterden
jullieveresterden
zijveresterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad veresterd
jijhad veresterd
hijhad veresterd
wijhadden veresterd
julliehadden veresterd
zijhadden veresterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal veresteren
jijzult veresteren
hijzal veresteren
wijzullen veresteren
julliezullen veresteren
zijzullen veresteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal veresterd hebben
jijzult veresterd hebben
hijzal veresterd hebben
wijzullen veresterd hebben
julliezullen veresterd hebben
zijzullen veresterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou veresteren
jijzou veresteren
hijzou veresteren
wijzouden veresteren
julliezouden veresteren
zijzouden veresteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou veresterd hebben
jijzou veresterd hebben
hijzou veresterd hebben
wijzouden veresterd hebben
julliezouden veresterd hebben
zijzouden veresterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverester

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From ester + ver- -en.

Additional Information