veretteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of veretteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: veretteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: veretterend
Past participle - Verleden deelwoord: veretterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikveretter
jijverettert
hijverettert
wijveretteren
jullieveretteren
zijveretteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb veretterd
jijhebt veretterd
hijheeft veretterd
wijhebben veretterd
julliehebben veretterd
zijhebben veretterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikveretterde
jijveretterde
hijveretterde
wijveretterden
jullieveretterden
zijveretterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad veretterd
jijhad veretterd
hijhad veretterd
wijhadden veretterd
julliehadden veretterd
zijhadden veretterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal veretteren
jijzult veretteren
hijzal veretteren
wijzullen veretteren
julliezullen veretteren
zijzullen veretteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal veretterd hebben
jijzult veretterd hebben
hijzal veretterd hebben
wijzullen veretterd hebben
julliezullen veretterd hebben
zijzullen veretterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou veretteren
jijzou veretteren
hijzou veretteren
wijzouden veretteren
julliezouden veretteren
zijzouden veretteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou veretterd hebben
jijzou veretterd hebben
hijzou veretterd hebben
wijzouden veretterd hebben
julliezouden veretterd hebben
zijzouden veretterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijveretter

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information