verdokteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verdokteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verdokteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verdokterend
Past participle - Verleden deelwoord: verdokterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverdokter
jijverdoktert
hijverdoktert
wijverdokteren
jullieverdokteren
zijverdokteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verdokterd
jijhebt verdokterd
hijheeft verdokterd
wijhebben verdokterd
julliehebben verdokterd
zijhebben verdokterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverdokterde
jijverdokterde
hijverdokterde
wijverdokterden
jullieverdokterden
zijverdokterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verdokterd
jijhad verdokterd
hijhad verdokterd
wijhadden verdokterd
julliehadden verdokterd
zijhadden verdokterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verdokteren
jijzult verdokteren
hijzal verdokteren
wijzullen verdokteren
julliezullen verdokteren
zijzullen verdokteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verdokterd hebben
jijzult verdokterd hebben
hijzal verdokterd hebben
wijzullen verdokterd hebben
julliezullen verdokterd hebben
zijzullen verdokterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verdokteren
jijzou verdokteren
hijzou verdokteren
wijzouden verdokteren
julliezouden verdokteren
zijzouden verdokteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verdokterd hebben
jijzou verdokterd hebben
hijzou verdokterd hebben
wijzouden verdokterd hebben
julliezouden verdokterd hebben
zijzouden verdokterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverdokter

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information