verdagen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verdagen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verdagen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verdagend
Past participle - Verleden deelwoord: verdaagd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverdaag
jijverdaagt
hijverdaagt
wijverdagen
jullieverdagen
zijverdagen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verdaagd
jijhebt verdaagd
hijheeft verdaagd
wijhebben verdaagd
julliehebben verdaagd
zijhebben verdaagd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverdaagde
jijverdaagde
hijverdaagde
wijverdaagden
jullieverdaagden
zijverdaagden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verdaagd
jijhad verdaagd
hijhad verdaagd
wijhadden verdaagd
julliehadden verdaagd
zijhadden verdaagd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verdagen
jijzult verdagen
hijzal verdagen
wijzullen verdagen
julliezullen verdagen
zijzullen verdagen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verdaagd hebben
jijzult verdaagd hebben
hijzal verdaagd hebben
wijzullen verdaagd hebben
julliezullen verdaagd hebben
zijzullen verdaagd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verdagen
jijzou verdagen
hijzou verdagen
wijzouden verdagen
julliezouden verdagen
zijzouden verdagen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verdaagd hebben
jijzou verdaagd hebben
hijzou verdaagd hebben
wijzouden verdaagd hebben
julliezouden verdaagd hebben
zijzouden verdaagd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverdaag

Translations

  • adjourn, to postpone
  • demur, intransitive: To delay; to pause; to suspend proceedings
  • prorogue, to suspend a parliamentary session
  • stay, to postpone
  • table, to postpone
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opschorten
    schorsen, uitstellen

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information