uitsmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitsmeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitsmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitsmerend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgesmeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksmeer uit
jijsmeert uit
hijsmeert uit
wijsmeren uit
julliesmeren uit
zijsmeren uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgesmeerd
jijhebt uitgesmeerd
hijheeft uitgesmeerd
wijhebben uitgesmeerd
julliehebben uitgesmeerd
zijhebben uitgesmeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksmeerde uit
jijsmeerde uit
hijsmeerde uit
wijsmeerden uit
julliesmeerden uit
zijsmeerden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgesmeerd
jijhad uitgesmeerd
hijhad uitgesmeerd
wijhadden uitgesmeerd
julliehadden uitgesmeerd
zijhadden uitgesmeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitsmeren
jijzult uitsmeren
hijzal uitsmeren
wijzullen uitsmeren
julliezullen uitsmeren
zijzullen uitsmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgesmeerd hebben
jijzult uitgesmeerd hebben
hijzal uitgesmeerd hebben
wijzullen uitgesmeerd hebben
julliezullen uitgesmeerd hebben
zijzullen uitgesmeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitsmeren
jijzou uitsmeren
hijzou uitsmeren
wijzouden uitsmeren
julliezouden uitsmeren
zijzouden uitsmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgesmeerd hebben
jijzou uitgesmeerd hebben
hijzou uitgesmeerd hebben
wijzouden uitgesmeerd hebben
julliezouden uitgesmeerd hebben
zijzouden uitgesmeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsmeer uit

Translations

  • spread, to smear, distribute in a thin layer
  • smear, to spread (a substance)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information