twinkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of twinkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: twinkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: twinkelend
Past participle - Verleden deelwoord: getwinkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktwinkel
jijtwinkelt
hijtwinkelt
wijtwinkelen
jullietwinkelen
zijtwinkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getwinkeld
jijhebt getwinkeld
hijheeft getwinkeld
wijhebben getwinkeld
julliehebben getwinkeld
zijhebben getwinkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktwinkelde
jijtwinkelde
hijtwinkelde
wijtwinkelden
jullietwinkelden
zijtwinkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getwinkeld
jijhad getwinkeld
hijhad getwinkeld
wijhadden getwinkeld
julliehadden getwinkeld
zijhadden getwinkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal twinkelen
jijzult twinkelen
hijzal twinkelen
wijzullen twinkelen
julliezullen twinkelen
zijzullen twinkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getwinkeld hebben
jijzult getwinkeld hebben
hijzal getwinkeld hebben
wijzullen getwinkeld hebben
julliezullen getwinkeld hebben
zijzullen getwinkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou twinkelen
jijzou twinkelen
hijzou twinkelen
wijzouden twinkelen
julliezouden twinkelen
zijzouden twinkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getwinkeld hebben
jijzou getwinkeld hebben
hijzou getwinkeld hebben
wijzouden getwinkeld hebben
julliezouden getwinkeld hebben
zijzouden getwinkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtwinkel

Translations

  • scintillate, to twinkle
  • wink, to twinkle
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Probably from English twinkle. See: English 'twinkle'.

    Additional Information