rinkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rinkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rinkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rinkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gerinkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrinkel
jijrinkelt
hijrinkelt
wijrinkelen
jullierinkelen
zijrinkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerinkeld
jijhebt gerinkeld
hijheeft gerinkeld
wijhebben gerinkeld
julliehebben gerinkeld
zijhebben gerinkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrinkelde
jijrinkelde
hijrinkelde
wijrinkelden
jullierinkelden
zijrinkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerinkeld
jijhad gerinkeld
hijhad gerinkeld
wijhadden gerinkeld
julliehadden gerinkeld
zijhadden gerinkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rinkelen
jijzult rinkelen
hijzal rinkelen
wijzullen rinkelen
julliezullen rinkelen
zijzullen rinkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerinkeld hebben
jijzult gerinkeld hebben
hijzal gerinkeld hebben
wijzullen gerinkeld hebben
julliezullen gerinkeld hebben
zijzullen gerinkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rinkelen
jijzou rinkelen
hijzou rinkelen
wijzouden rinkelen
julliezouden rinkelen
zijzouden rinkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerinkeld hebben
jijzou gerinkeld hebben
hijzou gerinkeld hebben
wijzouden gerinkeld hebben
julliezouden gerinkeld hebben
zijzouden gerinkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrinkel

Translations

  • ring, (intr.) to produce a resonant sound
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From rinkel (“a jingle-bell”) or from Middle Dutch ringen (“to ring”) + -elen (frequentative suffix).

    Additional Information