trappelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trappelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trappelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trappelend
Past participle - Verleden deelwoord: getrappeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrappel
jijtrappelt
hijtrappelt
wijtrappelen
jullietrappelen
zijtrappelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getrappeld
jijhebt getrappeld
hijheeft getrappeld
wijhebben getrappeld
julliehebben getrappeld
zijhebben getrappeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrappelde
jijtrappelde
hijtrappelde
wijtrappelden
jullietrappelden
zijtrappelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getrappeld
jijhad getrappeld
hijhad getrappeld
wijhadden getrappeld
julliehadden getrappeld
zijhadden getrappeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trappelen
jijzult trappelen
hijzal trappelen
wijzullen trappelen
julliezullen trappelen
zijzullen trappelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getrappeld hebben
jijzult getrappeld hebben
hijzal getrappeld hebben
wijzullen getrappeld hebben
julliezullen getrappeld hebben
zijzullen getrappeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trappelen
jijzou trappelen
hijzou trappelen
wijzouden trappelen
julliezouden trappelen
zijzouden trappelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getrappeld hebben
jijzou getrappeld hebben
hijzou getrappeld hebben
wijzouden getrappeld hebben
julliezouden getrappeld hebben
zijzouden getrappeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrappel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Het kind trappelde van ongeduld tijdens het wachten op de bus (The child stamped its feet out of impatience while waiting for the bus)

Etymology

From trappen (“to step, to kick”) + -elen (frequentative verbal suffix).

Additional Information