stempelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stempelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stempelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stempelend
Past participle - Verleden deelwoord: gestempeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstempel
jijstempelt
hijstempelt
wijstempelen
julliestempelen
zijstempelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestempeld
jijhebt gestempeld
hijheeft gestempeld
wijhebben gestempeld
julliehebben gestempeld
zijhebben gestempeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstempelde
jijstempelde
hijstempelde
wijstempelden
julliestempelden
zijstempelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestempeld
jijhad gestempeld
hijhad gestempeld
wijhadden gestempeld
julliehadden gestempeld
zijhadden gestempeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stempelen
jijzult stempelen
hijzal stempelen
wijzullen stempelen
julliezullen stempelen
zijzullen stempelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestempeld hebben
jijzult gestempeld hebben
hijzal gestempeld hebben
wijzullen gestempeld hebben
julliezullen gestempeld hebben
zijzullen gestempeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stempelen
jijzou stempelen
hijzou stempelen
wijzouden stempelen
julliezouden stempelen
zijzouden stempelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestempeld hebben
jijzou gestempeld hebben
hijzou gestempeld hebben
wijzouden gestempeld hebben
julliezouden gestempeld hebben
zijzouden gestempeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstempel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

merken
markeren

Sample Sentences

Etymology

From stempel + -en.

Additional Information