bestempelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bestempelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bestempelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bestempelend
Past participle - Verleden deelwoord: bestempeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbestempel
jijbestempelt
hijbestempelt
wijbestempelen
julliebestempelen
zijbestempelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bestempeld
jijhebt bestempeld
hijheeft bestempeld
wijhebben bestempeld
julliehebben bestempeld
zijhebben bestempeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbestempelde
jijbestempelde
hijbestempelde
wijbestempelden
julliebestempelden
zijbestempelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bestempeld
jijhad bestempeld
hijhad bestempeld
wijhadden bestempeld
julliehadden bestempeld
zijhadden bestempeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bestempelen
jijzult bestempelen
hijzal bestempelen
wijzullen bestempelen
julliezullen bestempelen
zijzullen bestempelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bestempeld hebben
jijzult bestempeld hebben
hijzal bestempeld hebben
wijzullen bestempeld hebben
julliezullen bestempeld hebben
zijzullen bestempeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bestempelen
jijzou bestempelen
hijzou bestempelen
wijzouden bestempelen
julliezouden bestempelen
zijzouden bestempelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bestempeld hebben
jijzou bestempeld hebben
hijzou bestempeld hebben
wijzouden bestempeld hebben
julliezouden bestempeld hebben
zijzouden bestempeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbestempel

Translations

  • label, give a label to in order to categorise
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From be- + stempelen.

    Additional Information