sprankelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sprankelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sprankelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sprankelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesprankeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksprankel
jijsprankelt
hijsprankelt
wijsprankelen
julliesprankelen
zijsprankelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesprankeld
jijhebt gesprankeld
hijheeft gesprankeld
wijhebben gesprankeld
julliehebben gesprankeld
zijhebben gesprankeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksprankelde
jijsprankelde
hijsprankelde
wijsprankelden
julliesprankelden
zijsprankelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesprankeld
jijhad gesprankeld
hijhad gesprankeld
wijhadden gesprankeld
julliehadden gesprankeld
zijhadden gesprankeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sprankelen
jijzult sprankelen
hijzal sprankelen
wijzullen sprankelen
julliezullen sprankelen
zijzullen sprankelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesprankeld hebben
jijzult gesprankeld hebben
hijzal gesprankeld hebben
wijzullen gesprankeld hebben
julliezullen gesprankeld hebben
zijzullen gesprankeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sprankelen
jijzou sprankelen
hijzou sprankelen
wijzouden sprankelen
julliezouden sprankelen
zijzouden sprankelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesprankeld hebben
jijzou gesprankeld hebben
hijzou gesprankeld hebben
wijzouden gesprankeld hebben
julliezouden gesprankeld hebben
zijzouden gesprankeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsprankel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information