orakelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of orakelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: orakelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: orakelend
Past participle - Verleden deelwoord: georakeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikorakel
jijorakelt
hijorakelt
wijorakelen
jullieorakelen
zijorakelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb georakeld
jijhebt georakeld
hijheeft georakeld
wijhebben georakeld
julliehebben georakeld
zijhebben georakeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikorakelde
jijorakelde
hijorakelde
wijorakelden
jullieorakelden
zijorakelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad georakeld
jijhad georakeld
hijhad georakeld
wijhadden georakeld
julliehadden georakeld
zijhadden georakeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal orakelen
jijzult orakelen
hijzal orakelen
wijzullen orakelen
julliezullen orakelen
zijzullen orakelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal georakeld hebben
jijzult georakeld hebben
hijzal georakeld hebben
wijzullen georakeld hebben
julliezullen georakeld hebben
zijzullen georakeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou orakelen
jijzou orakelen
hijzou orakelen
wijzouden orakelen
julliezouden orakelen
zijzouden orakelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou georakeld hebben
jijzou georakeld hebben
hijzou georakeld hebben
wijzouden georakeld hebben
julliezouden georakeld hebben
zijzouden georakeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijorakel

Translations

  • pontificate, act like a pontiff
  • pontificate, speak in a patronizing, supercilious or pompous manner
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information