sprokkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sprokkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sprokkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sprokkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesprokkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksprokkel
jijsprokkelt
hijsprokkelt
wijsprokkelen
julliesprokkelen
zijsprokkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesprokkeld
jijhebt gesprokkeld
hijheeft gesprokkeld
wijhebben gesprokkeld
julliehebben gesprokkeld
zijhebben gesprokkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksprokkelde
jijsprokkelde
hijsprokkelde
wijsprokkelden
julliesprokkelden
zijsprokkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesprokkeld
jijhad gesprokkeld
hijhad gesprokkeld
wijhadden gesprokkeld
julliehadden gesprokkeld
zijhadden gesprokkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sprokkelen
jijzult sprokkelen
hijzal sprokkelen
wijzullen sprokkelen
julliezullen sprokkelen
zijzullen sprokkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesprokkeld hebben
jijzult gesprokkeld hebben
hijzal gesprokkeld hebben
wijzullen gesprokkeld hebben
julliezullen gesprokkeld hebben
zijzullen gesprokkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sprokkelen
jijzou sprokkelen
hijzou sprokkelen
wijzouden sprokkelen
julliezouden sprokkelen
zijzouden sprokkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesprokkeld hebben
jijzou gesprokkeld hebben
hijzou gesprokkeld hebben
wijzouden gesprokkeld hebben
julliezouden gesprokkeld hebben
zijzouden gesprokkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsprokkel

Translations

  • glean, harvest grain left behind after the crop has been reaped
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Ik heb wat sigaretten gesprokkeld bij mijn vrienden (I have gathered some cigarettes from my friends.)

    Etymology

    From Middle Dutch sprockelen, a derivation from Middle Dutch sproc (“twig, faggot”) (whence sporkehout (“alder buckthorn”) and sprok (“brittle, fragile”)), with the frequentative verbal suffix -elen. Alternatively analyzable as sprokkel + -en, but Middle Dutch sprockel is attested more sparsely and later than sproc and sprockelen, so it may actually be a back-formation from this verb.

    Additional Information