soleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of soleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: soleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: solerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesoleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksoleer
jijsoleert
hijsoleert
wijsoleren
julliesoleren
zijsoleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesoleerd
jijhebt gesoleerd
hijheeft gesoleerd
wijhebben gesoleerd
julliehebben gesoleerd
zijhebben gesoleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksoleerde
jijsoleerde
hijsoleerde
wijsoleerden
julliesoleerden
zijsoleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesoleerd
jijhad gesoleerd
hijhad gesoleerd
wijhadden gesoleerd
julliehadden gesoleerd
zijhadden gesoleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal soleren
jijzult soleren
hijzal soleren
wijzullen soleren
julliezullen soleren
zijzullen soleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesoleerd hebben
jijzult gesoleerd hebben
hijzal gesoleerd hebben
wijzullen gesoleerd hebben
julliezullen gesoleerd hebben
zijzullen gesoleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou soleren
jijzou soleren
hijzou soleren
wijzouden soleren
julliezouden soleren
zijzouden soleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesoleerd hebben
jijzou gesoleerd hebben
hijzou gesoleerd hebben
wijzouden gesoleerd hebben
julliezouden gesoleerd hebben
zijzouden gesoleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsoleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information