Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: sneuvelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sneuvelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesneuveld
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | sneuvel |
| jij | sneuvelt |
| hij | sneuvelt |
| wij | sneuvelen |
| jullie | sneuvelen |
| zij | sneuvelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gesneuveld |
| jij | hebt gesneuveld |
| hij | heeft gesneuveld |
| wij | hebben gesneuveld |
| jullie | hebben gesneuveld |
| zij | hebben gesneuveld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | sneuvelde |
| jij | sneuvelde |
| hij | sneuvelde |
| wij | sneuvelden |
| jullie | sneuvelden |
| zij | sneuvelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gesneuveld |
| jij | had gesneuveld |
| hij | had gesneuveld |
| wij | hadden gesneuveld |
| jullie | hadden gesneuveld |
| zij | hadden gesneuveld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal sneuvelen |
| jij | zult sneuvelen |
| hij | zal sneuvelen |
| wij | zullen sneuvelen |
| jullie | zullen sneuvelen |
| zij | zullen sneuvelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gesneuveld hebben |
| jij | zult gesneuveld hebben |
| hij | zal gesneuveld hebben |
| wij | zullen gesneuveld hebben |
| jullie | zullen gesneuveld hebben |
| zij | zullen gesneuveld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou sneuvelen |
| jij | zou sneuvelen |
| hij | zou sneuvelen |
| wij | zouden sneuvelen |
| jullie | zouden sneuvelen |
| zij | zouden sneuvelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gesneuveld hebben |
| jij | zou gesneuveld hebben |
| hij | zou gesneuveld hebben |
| wij | zouden gesneuveld hebben |
| jullie | zouden gesneuveld hebben |
| zij | zouden gesneuveld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'sneuvelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'sneuvelen'
sneukelen,
keuvelen,
kneukelen,
knevelen,
neuzelen,
nevelen,
sleutelen,
beduvelen,
benevelen,
beugelen,
Translations
Sample Sentences
-
Ik had twee broeders, die ouder waren dan ik; de oudste diende als luitenant-kolonel bij een regement voetvolk in Vlaanderen, toen hij in den slag tegen de Spanjaarden bij Duinkerken sneuvelde. Ik heb nimmer vernomen wat er van mijn tweeden broeder geworden is, even als mijne ouders nimmer wisten waar ik gebleven was.
(Robinson Crusoe)
-
[...] van zijne rede, die inderdaad door de uitkomst volkomen bevestigd werd, schoon mijn vader dit zelf niet vermoeden kon, zag ik dat de tranen hem over het gelaat stroomden, vooral toen hij van mijn gesneuvelden broeder sprak; en toen hij van mijn berouw in later tijd gewaagde, en dat mij alsdan niemand zou te hulp komen, was hij zoo aangedaan, dat hij het gesprek afbrak, en mij verklaarde, dat zijn hart te [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] zij vooral woedend werden door onze paarden achter ons te zien. Ik gelastte, dat men om den anderen man weder zou vuren, en ieder mikte zoo goed, dat bij de eerste losbranding verscheidene wolven sneuvelden, maar wij moesten aanhoudend doorvuren, want de achtersten dreven de voorsten aanhoudend als ware duivels vooruit.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch snevelen. By surface analysis, sneven + -elen.
Additional Information