sleutelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sleutelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sleutelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sleutelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesleuteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksleutel
jijsleutelt
hijsleutelt
wijsleutelen
julliesleutelen
zijsleutelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesleuteld
jijhebt gesleuteld
hijheeft gesleuteld
wijhebben gesleuteld
julliehebben gesleuteld
zijhebben gesleuteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksleutelde
jijsleutelde
hijsleutelde
wijsleutelden
julliesleutelden
zijsleutelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesleuteld
jijhad gesleuteld
hijhad gesleuteld
wijhadden gesleuteld
julliehadden gesleuteld
zijhadden gesleuteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sleutelen
jijzult sleutelen
hijzal sleutelen
wijzullen sleutelen
julliezullen sleutelen
zijzullen sleutelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesleuteld hebben
jijzult gesleuteld hebben
hijzal gesleuteld hebben
wijzullen gesleuteld hebben
julliezullen gesleuteld hebben
zijzullen gesleuteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sleutelen
jijzou sleutelen
hijzou sleutelen
wijzouden sleutelen
julliezouden sleutelen
zijzouden sleutelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesleuteld hebben
jijzou gesleuteld hebben
hijzou gesleuteld hebben
wijzouden gesleuteld hebben
julliezouden gesleuteld hebben
zijzouden gesleuteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsleutel

Translations

  • tinker, to fiddle with something in an attempt to fix, mend or improve it
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From sleutel (“key”) + -en.

    Additional Information