shamponeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of shamponeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: shamponeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: shamponerend
Past participle - Verleden deelwoord: geshamponeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikshamponeer
jijshamponeert
hijshamponeert
wijshamponeren
jullieshamponeren
zijshamponeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geshamponeerd
jijhebt geshamponeerd
hijheeft geshamponeerd
wijhebben geshamponeerd
julliehebben geshamponeerd
zijhebben geshamponeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikshamponeerde
jijshamponeerde
hijshamponeerde
wijshamponeerden
jullieshamponeerden
zijshamponeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geshamponeerd
jijhad geshamponeerd
hijhad geshamponeerd
wijhadden geshamponeerd
julliehadden geshamponeerd
zijhadden geshamponeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal shamponeren
jijzult shamponeren
hijzal shamponeren
wijzullen shamponeren
julliezullen shamponeren
zijzullen shamponeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geshamponeerd hebben
jijzult geshamponeerd hebben
hijzal geshamponeerd hebben
wijzullen geshamponeerd hebben
julliezullen geshamponeerd hebben
zijzullen geshamponeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou shamponeren
jijzou shamponeren
hijzou shamponeren
wijzouden shamponeren
julliezouden shamponeren
zijzouden shamponeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geshamponeerd hebben
jijzou geshamponeerd hebben
hijzou geshamponeerd hebben
wijzouden geshamponeerd hebben
julliezouden geshamponeerd hebben
zijzouden geshamponeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijshamponeer

Translations

  • shampoo, to wash hair with shampoo
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information