sjabloneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sjabloneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sjabloneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sjablonerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesjabloneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksjabloneer
jijsjabloneert
hijsjabloneert
wijsjabloneren
julliesjabloneren
zijsjabloneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesjabloneerd
jijhebt gesjabloneerd
hijheeft gesjabloneerd
wijhebben gesjabloneerd
julliehebben gesjabloneerd
zijhebben gesjabloneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksjabloneerde
jijsjabloneerde
hijsjabloneerde
wijsjabloneerden
julliesjabloneerden
zijsjabloneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesjabloneerd
jijhad gesjabloneerd
hijhad gesjabloneerd
wijhadden gesjabloneerd
julliehadden gesjabloneerd
zijhadden gesjabloneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sjabloneren
jijzult sjabloneren
hijzal sjabloneren
wijzullen sjabloneren
julliezullen sjabloneren
zijzullen sjabloneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesjabloneerd hebben
jijzult gesjabloneerd hebben
hijzal gesjabloneerd hebben
wijzullen gesjabloneerd hebben
julliezullen gesjabloneerd hebben
zijzullen gesjabloneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sjabloneren
jijzou sjabloneren
hijzou sjabloneren
wijzouden sjabloneren
julliezouden sjabloneren
zijzouden sjabloneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesjabloneerd hebben
jijzou gesjabloneerd hebben
hijzou gesjabloneerd hebben
wijzouden gesjabloneerd hebben
julliezouden gesjabloneerd hebben
zijzouden gesjabloneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsjabloneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information