tamponneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tamponneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tamponneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tamponnerend
Past participle - Verleden deelwoord: getamponneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktamponneer
jijtamponneert
hijtamponneert
wijtamponneren
jullietamponneren
zijtamponneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getamponneerd
jijhebt getamponneerd
hijheeft getamponneerd
wijhebben getamponneerd
julliehebben getamponneerd
zijhebben getamponneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktamponneerde
jijtamponneerde
hijtamponneerde
wijtamponneerden
jullietamponneerden
zijtamponneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getamponneerd
jijhad getamponneerd
hijhad getamponneerd
wijhadden getamponneerd
julliehadden getamponneerd
zijhadden getamponneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tamponneren
jijzult tamponneren
hijzal tamponneren
wijzullen tamponneren
julliezullen tamponneren
zijzullen tamponneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getamponneerd hebben
jijzult getamponneerd hebben
hijzal getamponneerd hebben
wijzullen getamponneerd hebben
julliezullen getamponneerd hebben
zijzullen getamponneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tamponneren
jijzou tamponneren
hijzou tamponneren
wijzouden tamponneren
julliezouden tamponneren
zijzouden tamponneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getamponneerd hebben
jijzou getamponneerd hebben
hijzou getamponneerd hebben
wijzouden getamponneerd hebben
julliezouden getamponneerd hebben
zijzouden getamponneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtamponneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information