reden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of reden

The word "reden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: reden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: redend
Past participle - Verleden deelwoord: gereed

Cognates

See the 2 cognates of reden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreed
jijreedt
hijreedt
wijreden
julliereden
zijreden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gereed
jijhebt gereed
hijheeft gereed
wijhebben gereed
julliehebben gereed
zijhebben gereed

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreedde
jijreedde
hijreedde
wijreedden
julliereedden
zijreedden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gereed
jijhad gereed
hijhad gereed
wijhadden gereed
julliehadden gereed
zijhadden gereed

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal reden
jijzult reden
hijzal reden
wijzullen reden
julliezullen reden
zijzullen reden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gereed hebben
jijzult gereed hebben
hijzal gereed hebben
wijzullen gereed hebben
julliezullen gereed hebben
zijzullen gereed hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou reden
jijzou reden
hijzou reden
wijzouden reden
julliezouden reden
zijzouden reden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gereed hebben
jijzou gereed hebben
hijzou gereed hebben
wijzouden gereed hebben
julliezouden gereed hebben
zijzouden gereed hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreed

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch rêden (“to ready”).

Verbs referencing "reden"

English reason.

Additional Information