rabatteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rabatteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rabatteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rabatterend
Past participle - Verleden deelwoord: gerabatteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrabatteer
jijrabatteert
hijrabatteert
wijrabatteren
jullierabatteren
zijrabatteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerabatteerd
jijhebt gerabatteerd
hijheeft gerabatteerd
wijhebben gerabatteerd
julliehebben gerabatteerd
zijhebben gerabatteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrabatteerde
jijrabatteerde
hijrabatteerde
wijrabatteerden
jullierabatteerden
zijrabatteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerabatteerd
jijhad gerabatteerd
hijhad gerabatteerd
wijhadden gerabatteerd
julliehadden gerabatteerd
zijhadden gerabatteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rabatteren
jijzult rabatteren
hijzal rabatteren
wijzullen rabatteren
julliezullen rabatteren
zijzullen rabatteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerabatteerd hebben
jijzult gerabatteerd hebben
hijzal gerabatteerd hebben
wijzullen gerabatteerd hebben
julliezullen gerabatteerd hebben
zijzullen gerabatteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rabatteren
jijzou rabatteren
hijzou rabatteren
wijzouden rabatteren
julliezouden rabatteren
zijzouden rabatteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerabatteerd hebben
jijzou gerabatteerd hebben
hijzou gerabatteerd hebben
wijzouden gerabatteerd hebben
julliezouden gerabatteerd hebben
zijzouden gerabatteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrabatteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information