facetteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of facetteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: facetteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: facetterend
Past participle - Verleden deelwoord: gefacetteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfacetteer
jijfacetteert
hijfacetteert
wijfacetteren
julliefacetteren
zijfacetteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefacetteerd
jijhebt gefacetteerd
hijheeft gefacetteerd
wijhebben gefacetteerd
julliehebben gefacetteerd
zijhebben gefacetteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfacetteerde
jijfacetteerde
hijfacetteerde
wijfacetteerden
julliefacetteerden
zijfacetteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefacetteerd
jijhad gefacetteerd
hijhad gefacetteerd
wijhadden gefacetteerd
julliehadden gefacetteerd
zijhadden gefacetteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal facetteren
jijzult facetteren
hijzal facetteren
wijzullen facetteren
julliezullen facetteren
zijzullen facetteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefacetteerd hebben
jijzult gefacetteerd hebben
hijzal gefacetteerd hebben
wijzullen gefacetteerd hebben
julliezullen gefacetteerd hebben
zijzullen gefacetteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou facetteren
jijzou facetteren
hijzou facetteren
wijzouden facetteren
julliezouden facetteren
zijzouden facetteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefacetteerd hebben
jijzou gefacetteerd hebben
hijzou gefacetteerd hebben
wijzouden gefacetteerd hebben
julliezouden gefacetteerd hebben
zijzouden gefacetteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfacetteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information