prevelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of prevelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: prevelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: prevelend
Past participle - Verleden deelwoord: gepreveld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprevel
jijprevelt
hijprevelt
wijprevelen
jullieprevelen
zijprevelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepreveld
jijhebt gepreveld
hijheeft gepreveld
wijhebben gepreveld
julliehebben gepreveld
zijhebben gepreveld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprevelde
jijprevelde
hijprevelde
wijprevelden
jullieprevelden
zijprevelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepreveld
jijhad gepreveld
hijhad gepreveld
wijhadden gepreveld
julliehadden gepreveld
zijhadden gepreveld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal prevelen
jijzult prevelen
hijzal prevelen
wijzullen prevelen
julliezullen prevelen
zijzullen prevelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepreveld hebben
jijzult gepreveld hebben
hijzal gepreveld hebben
wijzullen gepreveld hebben
julliezullen gepreveld hebben
zijzullen gepreveld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou prevelen
jijzou prevelen
hijzou prevelen
wijzouden prevelen
julliezouden prevelen
zijzouden prevelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepreveld hebben
jijzou gepreveld hebben
hijzou gepreveld hebben
wijzouden gepreveld hebben
julliezouden gepreveld hebben
zijzouden gepreveld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprevel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

lispelen
mompelen

Sample Sentences

Etymology

Uncertain, likely onomatopoeic and not attested before the 17th century. It has few cognates, including Low German prêfeln, pröfeln, West Frisian prevelje. See: Low Saxon 'prêfeln'.

Additional Information