poederen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of poederen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: poederen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: poederend
Past participle - Verleden deelwoord: gepoederd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpoeder
jijpoedert
hijpoedert
wijpoederen
julliepoederen
zijpoederen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepoederd
jijhebt gepoederd
hijheeft gepoederd
wijhebben gepoederd
julliehebben gepoederd
zijhebben gepoederd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpoederde
jijpoederde
hijpoederde
wijpoederden
julliepoederden
zijpoederden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepoederd
jijhad gepoederd
hijhad gepoederd
wijhadden gepoederd
julliehadden gepoederd
zijhadden gepoederd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal poederen
jijzult poederen
hijzal poederen
wijzullen poederen
julliezullen poederen
zijzullen poederen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepoederd hebben
jijzult gepoederd hebben
hijzal gepoederd hebben
wijzullen gepoederd hebben
julliezullen gepoederd hebben
zijzullen gepoederd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou poederen
jijzou poederen
hijzou poederen
wijzouden poederen
julliezouden poederen
zijzouden poederen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepoederd hebben
jijzou gepoederd hebben
hijzou gepoederd hebben
wijzouden gepoederd hebben
julliezouden gepoederd hebben
zijzouden gepoederd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpoeder

Translations

  • bepowder, sprinkle or cover with powder
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From poeder + -en.

    Additional Information