pirouetteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pirouetteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pirouetteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pirouetterend
Past participle - Verleden deelwoord: gepirouetteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpirouetteer
jijpirouetteert
hijpirouetteert
wijpirouetteren
julliepirouetteren
zijpirouetteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepirouetteerd
jijhebt gepirouetteerd
hijheeft gepirouetteerd
wijhebben gepirouetteerd
julliehebben gepirouetteerd
zijhebben gepirouetteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpirouetteerde
jijpirouetteerde
hijpirouetteerde
wijpirouetteerden
julliepirouetteerden
zijpirouetteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepirouetteerd
jijhad gepirouetteerd
hijhad gepirouetteerd
wijhadden gepirouetteerd
julliehadden gepirouetteerd
zijhadden gepirouetteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pirouetteren
jijzult pirouetteren
hijzal pirouetteren
wijzullen pirouetteren
julliezullen pirouetteren
zijzullen pirouetteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepirouetteerd hebben
jijzult gepirouetteerd hebben
hijzal gepirouetteerd hebben
wijzullen gepirouetteerd hebben
julliezullen gepirouetteerd hebben
zijzullen gepirouetteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pirouetteren
jijzou pirouetteren
hijzou pirouetteren
wijzouden pirouetteren
julliezouden pirouetteren
zijzouden pirouetteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepirouetteerd hebben
jijzou gepirouetteerd hebben
hijzou gepirouetteerd hebben
wijzouden gepirouetteerd hebben
julliezouden gepirouetteerd hebben
zijzouden gepirouetteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpirouetteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information