pipetteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pipetteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pipetteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pipetterend
Past participle - Verleden deelwoord: gepipetteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpipetteer
jijpipetteert
hijpipetteert
wijpipetteren
julliepipetteren
zijpipetteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepipetteerd
jijhebt gepipetteerd
hijheeft gepipetteerd
wijhebben gepipetteerd
julliehebben gepipetteerd
zijhebben gepipetteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpipetteerde
jijpipetteerde
hijpipetteerde
wijpipetteerden
julliepipetteerden
zijpipetteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepipetteerd
jijhad gepipetteerd
hijhad gepipetteerd
wijhadden gepipetteerd
julliehadden gepipetteerd
zijhadden gepipetteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pipetteren
jijzult pipetteren
hijzal pipetteren
wijzullen pipetteren
julliezullen pipetteren
zijzullen pipetteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepipetteerd hebben
jijzult gepipetteerd hebben
hijzal gepipetteerd hebben
wijzullen gepipetteerd hebben
julliezullen gepipetteerd hebben
zijzullen gepipetteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pipetteren
jijzou pipetteren
hijzou pipetteren
wijzouden pipetteren
julliezouden pipetteren
zijzouden pipetteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepipetteerd hebben
jijzou gepipetteerd hebben
hijzou gepipetteerd hebben
wijzouden gepipetteerd hebben
julliezouden gepipetteerd hebben
zijzouden gepipetteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpipetteer

Translations

  • pipette, to transfer or measure the volume of a liquid using a pipet
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Equivalent to pipet + -eren.

    Additional Information