peddelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of peddelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: peddelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: peddelend
Past participle - Verleden deelwoord: gepeddeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpeddel
jijpeddelt
hijpeddelt
wijpeddelen
julliepeddelen
zijpeddelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepeddeld
jijhebt gepeddeld
hijheeft gepeddeld
wijhebben gepeddeld
julliehebben gepeddeld
zijhebben gepeddeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpeddelde
jijpeddelde
hijpeddelde
wijpeddelden
julliepeddelden
zijpeddelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepeddeld
jijhad gepeddeld
hijhad gepeddeld
wijhadden gepeddeld
julliehadden gepeddeld
zijhadden gepeddeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal peddelen
jijzult peddelen
hijzal peddelen
wijzullen peddelen
julliezullen peddelen
zijzullen peddelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepeddeld hebben
jijzult gepeddeld hebben
hijzal gepeddeld hebben
wijzullen gepeddeld hebben
julliezullen gepeddeld hebben
zijzullen gepeddeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou peddelen
jijzou peddelen
hijzou peddelen
wijzouden peddelen
julliezouden peddelen
zijzouden peddelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepeddeld hebben
jijzou gepeddeld hebben
hijzou gepeddeld hebben
wijzouden gepeddeld hebben
julliezouden gepeddeld hebben
zijzouden gepeddeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpeddel

Translations

  • paddle, to propel something through water with a paddle, hands or similar instrument
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English paddle. See: English 'paddle'.

    Additional Information