parketteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of parketteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: parketteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: parketterend
Past participle - Verleden deelwoord: geparketteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikparketteer
jijparketteert
hijparketteert
wijparketteren
jullieparketteren
zijparketteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geparketteerd
jijhebt geparketteerd
hijheeft geparketteerd
wijhebben geparketteerd
julliehebben geparketteerd
zijhebben geparketteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikparketteerde
jijparketteerde
hijparketteerde
wijparketteerden
jullieparketteerden
zijparketteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geparketteerd
jijhad geparketteerd
hijhad geparketteerd
wijhadden geparketteerd
julliehadden geparketteerd
zijhadden geparketteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal parketteren
jijzult parketteren
hijzal parketteren
wijzullen parketteren
julliezullen parketteren
zijzullen parketteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geparketteerd hebben
jijzult geparketteerd hebben
hijzal geparketteerd hebben
wijzullen geparketteerd hebben
julliezullen geparketteerd hebben
zijzullen geparketteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou parketteren
jijzou parketteren
hijzou parketteren
wijzouden parketteren
julliezouden parketteren
zijzouden parketteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geparketteerd hebben
jijzou geparketteerd hebben
hijzou geparketteerd hebben
wijzouden geparketteerd hebben
julliezouden geparketteerd hebben
zijzouden geparketteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijparketteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information