opteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opterend
Past participle - Verleden deelwoord: geopteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikopteer
jijopteert
hijopteert
wijopteren
jullieopteren
zijopteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geopteerd
jijhebt geopteerd
hijheeft geopteerd
wijhebben geopteerd
julliehebben geopteerd
zijhebben geopteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikopteerde
jijopteerde
hijopteerde
wijopteerden
jullieopteerden
zijopteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geopteerd
jijhad geopteerd
hijhad geopteerd
wijhadden geopteerd
julliehadden geopteerd
zijhadden geopteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opteren
jijzult opteren
hijzal opteren
wijzullen opteren
julliezullen opteren
zijzullen opteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geopteerd hebben
jijzult geopteerd hebben
hijzal geopteerd hebben
wijzullen geopteerd hebben
julliezullen geopteerd hebben
zijzullen geopteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opteren
jijzou opteren
hijzou opteren
wijzouden opteren
julliezouden opteren
zijzouden opteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geopteerd hebben
jijzou geopteerd hebben
hijzou geopteerd hebben
wijzouden geopteerd hebben
julliezouden geopteerd hebben
zijzouden geopteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijopteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French opter, from Latin optāre. See: French 'opter', Latin 'opto'.

Additional Information