offreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of offreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: offreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: offrerend
Past participle - Verleden deelwoord: geoffreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikoffreer
jijoffreert
hijoffreert
wijoffreren
jullieoffreren
zijoffreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geoffreerd
jijhebt geoffreerd
hijheeft geoffreerd
wijhebben geoffreerd
julliehebben geoffreerd
zijhebben geoffreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikoffreerde
jijoffreerde
hijoffreerde
wijoffreerden
jullieoffreerden
zijoffreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geoffreerd
jijhad geoffreerd
hijhad geoffreerd
wijhadden geoffreerd
julliehadden geoffreerd
zijhadden geoffreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal offreren
jijzult offreren
hijzal offreren
wijzullen offreren
julliezullen offreren
zijzullen offreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geoffreerd hebben
jijzult geoffreerd hebben
hijzal geoffreerd hebben
wijzullen geoffreerd hebben
julliezullen geoffreerd hebben
zijzullen geoffreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou offreren
jijzou offreren
hijzou offreren
wijzouden offreren
julliezouden offreren
zijzouden offreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geoffreerd hebben
jijzou geoffreerd hebben
hijzou geoffreerd hebben
wijzouden geoffreerd hebben
julliezouden geoffreerd hebben
zijzouden geoffreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijoffreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French offrir. Doublet of offeren. See: French 'offrir'.

Additional Information