objectiveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of objectiveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: objectiveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: objectiverend
Past participle - Verleden deelwoord: geobjectiveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikobjectiveer
jijobjectiveert
hijobjectiveert
wijobjectiveren
jullieobjectiveren
zijobjectiveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geobjectiveerd
jijhebt geobjectiveerd
hijheeft geobjectiveerd
wijhebben geobjectiveerd
julliehebben geobjectiveerd
zijhebben geobjectiveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikobjectiveerde
jijobjectiveerde
hijobjectiveerde
wijobjectiveerden
jullieobjectiveerden
zijobjectiveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geobjectiveerd
jijhad geobjectiveerd
hijhad geobjectiveerd
wijhadden geobjectiveerd
julliehadden geobjectiveerd
zijhadden geobjectiveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal objectiveren
jijzult objectiveren
hijzal objectiveren
wijzullen objectiveren
julliezullen objectiveren
zijzullen objectiveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geobjectiveerd hebben
jijzult geobjectiveerd hebben
hijzal geobjectiveerd hebben
wijzullen geobjectiveerd hebben
julliezullen geobjectiveerd hebben
zijzullen geobjectiveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou objectiveren
jijzou objectiveren
hijzou objectiveren
wijzouden objectiveren
julliezouden objectiveren
zijzouden objectiveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geobjectiveerd hebben
jijzou geobjectiveerd hebben
hijzou geobjectiveerd hebben
wijzouden geobjectiveerd hebben
julliezouden geobjectiveerd hebben
zijzouden geobjectiveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijobjectiveer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information