navigeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of navigeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: navigeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: navigerend
Past participle - Verleden deelwoord: nagevigeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvigeer na
jijvigeert na
hijvigeert na
wijvigeren na
jullievigeren na
zijvigeren na

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb nagevigeerd
jijhebt nagevigeerd
hijheeft nagevigeerd
wijhebben nagevigeerd
julliehebben nagevigeerd
zijhebben nagevigeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvigeerde na
jijvigeerde na
hijvigeerde na
wijvigeerden na
jullievigeerden na
zijvigeerden na

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad nagevigeerd
jijhad nagevigeerd
hijhad nagevigeerd
wijhadden nagevigeerd
julliehadden nagevigeerd
zijhadden nagevigeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal navigeren
jijzult navigeren
hijzal navigeren
wijzullen navigeren
julliezullen navigeren
zijzullen navigeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal nagevigeerd hebben
jijzult nagevigeerd hebben
hijzal nagevigeerd hebben
wijzullen nagevigeerd hebben
julliezullen nagevigeerd hebben
zijzullen nagevigeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou navigeren
jijzou navigeren
hijzou navigeren
wijzouden navigeren
julliezouden navigeren
zijzouden navigeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou nagevigeerd hebben
jijzou nagevigeerd hebben
hijzou nagevigeerd hebben
wijzouden nagevigeerd hebben
julliezouden nagevigeerd hebben
zijzouden nagevigeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvigeer na

Translations

  • navigate, plan, control
  • navigate, travel over water
  • navigate, move on the internet
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information