mankeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of mankeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: mankeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: mankerend
Past participle - Verleden deelwoord: gemankeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmankeer
jijmankeert
hijmankeert
wijmankeren
julliemankeren
zijmankeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemankeerd
jijhebt gemankeerd
hijheeft gemankeerd
wijhebben gemankeerd
julliehebben gemankeerd
zijhebben gemankeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmankeerde
jijmankeerde
hijmankeerde
wijmankeerden
julliemankeerden
zijmankeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemankeerd
jijhad gemankeerd
hijhad gemankeerd
wijhadden gemankeerd
julliehadden gemankeerd
zijhadden gemankeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal mankeren
jijzult mankeren
hijzal mankeren
wijzullen mankeren
julliezullen mankeren
zijzullen mankeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemankeerd hebben
jijzult gemankeerd hebben
hijzal gemankeerd hebben
wijzullen gemankeerd hebben
julliezullen gemankeerd hebben
zijzullen gemankeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou mankeren
jijzou mankeren
hijzou mankeren
wijzouden mankeren
julliezouden mankeren
zijzouden mankeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemankeerd hebben
jijzou gemankeerd hebben
hijzou gemankeerd hebben
wijzouden gemankeerd hebben
julliezouden gemankeerd hebben
zijzouden gemankeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmankeer

Translations

  • ail, to cause to suffer
  • fail, cease to operate
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    haperen
    schelen

    Sample Sentences

    • Iets mankeerde aan de kinderen op de slaapzaal, die allemaal moesten overgeven. (The children in the dormitory, who all had to vomit, had some illness.)
    • Wat mankeert er met jou, honneponnetje? (What′s wrong with you, honeybun?)
    • Het mankeert hun aan een goed leerboek. (They lack a good textbook.)
    • Hij mankeert veel. (There's a lot wrong with him.)
    • Deze hond mankeert iets aan zijn staart. (This dog has a condition in his tail. (not an innuendo))

    Etymology

    Borrowed from Middle French manquer, from Latin mancō, from mancus (“maimed”). See: Latin 'mancō'.

    Verbs referencing "mankeren"

    Afrikaans makeer.

    Additional Information