mandateren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of mandateren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: mandateren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: mandaterend
Past participle - Verleden deelwoord: gemandateerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmandateer
jijmandateert
hijmandateert
wijmandateren
julliemandateren
zijmandateren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemandateerd
jijhebt gemandateerd
hijheeft gemandateerd
wijhebben gemandateerd
julliehebben gemandateerd
zijhebben gemandateerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmandateerde
jijmandateerde
hijmandateerde
wijmandateerden
julliemandateerden
zijmandateerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemandateerd
jijhad gemandateerd
hijhad gemandateerd
wijhadden gemandateerd
julliehadden gemandateerd
zijhadden gemandateerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal mandateren
jijzult mandateren
hijzal mandateren
wijzullen mandateren
julliezullen mandateren
zijzullen mandateren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemandateerd hebben
jijzult gemandateerd hebben
hijzal gemandateerd hebben
wijzullen gemandateerd hebben
julliezullen gemandateerd hebben
zijzullen gemandateerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou mandateren
jijzou mandateren
hijzou mandateren
wijzouden mandateren
julliezouden mandateren
zijzouden mandateren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemandateerd hebben
jijzou gemandateerd hebben
hijzou gemandateerd hebben
wijzouden gemandateerd hebben
julliezouden gemandateerd hebben
zijzouden gemandateerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmandateer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

delegeren
afvaardigen, machtigen

Sample Sentences

Etymology

Additional Information